12.4.06
Drie Hoog
Uiteindelijk houdt Vincent van Gogh het twee jaar uit in Parijs. Nadat hij Parijs heeft verruild voor het Franse Zuiden schrijft hij: ‘Op sommige ogenblikken denk ik dat mijn bloed weer min of meer zin heeft om te gaan stromen, wat de laatste tijd in Parijs niet het geval is geweest: ik kòn werkelijk niet meer.’
Sommige waarheden zijn niet aan tijd gebonden, maar wel aan een plaats.
Veel bewoners van Parijs hebben een haat-liefde verhouding met de stad. Want de stad kan je opvreten. Wie aarzelt, is verloren. Wie twijfelt, wordt omvergelopen. Onder gepolijste beleefdheidsvormen gaat zeer ruwe omgang schuil. Parijs is niet altijd goed voor haar Parijzenaars die de stad vaak als een tijdelijke pleisterplaats opvatten. Graag zouden ze elders wonen. Waar het minder duur, minder druk, minder vuil, minder bekrompen, minder pretentieus, minder prestigieus is.
Een mondaine stad is niet per definitie een prettige stad om te bewonen.
Wie als toerist of incidentele bezoeker door Parijs loopt, ademt de energie van de stad, laat de oppervlakkige symmetrie op zich inwerken, geniet van de bruisende grootstad. Dit in tegenstelling tot veel vaste bewoners, die de stadsdrukte mijden en zich terugtrekken in hun quartier, dat ze alleen bij hoge uitzondering verlaten. Om naar la maison secundaire af te reizen bijvoorbeeld.
Het regende vannacht, toen ik door nachtelijk Abbesses liep. De laatste gasten dronken hun glas uit, de terrassen waren verlaten. In de Rue Lepic bewoonde Vincent met zijn broer Theo een appartement op de derde etage. In de stilte van de nacht was ik er op uit om een foto van hun huis te maken. Het geluk lachte me toe: één van de vensters drie hoog was nog verlicht.
Vincent van Gogh schrijft waarom hij in Parijs niet tot werken kwam: ‘Het lijkt me bijna onmogelijk in Parijs tot werken te komen, tenzij men een plekje heeft om zich terug te trekken en bij te komen en om zijn kalmte en zelfvertrouwen te herwinnen.’
Aanmelden bij Reacties [Atom]