10.4.06

De dolle hondenglimlach van de honger

Na het douane kantoor houdt het asfalt op. Hier eindigt een republiek van mensenrechten schenders. Roodbestofte palmen trillen in de middagzon.

De douanier in het land dat ik zojuist achter me liet, maakte een aantekening in mijn paspoort. Met haperende Bic noteerde hij dienstklopperachtig: Vu à la frontière avec 15.000 CFA. Geld dat werd nageteld, woorden die met een stempel werden bezegeld.

Ik loop door de bufferzone tussen metershoge termietenheuvels naar het land van de overkant. Het is niet druk op het stoffige rode zand. Dertig meter voor mij drie vrouwen die van de markt terugkomen. Een schaal met vruchten op hun hoofd. De jongste heeft een ontbloot bovenlichaam. Ze stoppen voor een schamel grensonderkomen, waar een douanier onder een golfplaat zit.

De douanier in het land van de overkant kijkt gebiologeerd naar de jongste van de drie vrouwen. Van een afstand zie ik hoe hij naar de nog jonge borsten reikt en ze als een fruitkoper bevoelt. Terwijl hij hiermee bezig is, ziet hij mij vanuit zijn ooghoek aankomen. Hij staakt zijn warenonderzoek en kijkt me aan alsof ik hem op heterdaad betrapte.

De vrouwen worden doorgestuurd.

Ook deze douaneman wil mijn paspoort zien, hij bladert er verveeld doorheen, geeft het terug. Hij vraagt waar ik naar toe ga. Dzodze zeg ik, Saint Anthony’s Hospital. Ik vraag hoe ik bij het hospitaal kom. Hij wijst met een vermoeide blik naar het achterland. Ergens verderop is een taxi.

Taxi is een groot woord.

Een geblakerde, glasloze Peugeot oldtimer die na wat duwwerk hortend in beweging komt. Tegen het eind van de middag, voor Saint Anthony’s, stap ik uit. Ik loop het terrein op. Het is er koel, rustig, bij de ingang staan vrouwen die eten verkopen. Bij de polikliniek zit iemand achter een loket. Ik meld dat ik voor L. kom.

Even later verschijnt vriend L. Hij ziet er vermoeid uit en in-en-in bleek in zijn witte doktersjas. Na de eerste begroeting maken we een rondje over het terrein. De polikliniek waar op dit late middaguur alles verlaten is. De zalen met in de bedden de patiënten, onder de bedden familie leden die de zieke verzorgen en van eten voorzien.

L. wil m’n slaapplaats wijzen. We lopen langs een gebouw met een groot hek er omheen. In de schaduw van het gebouw zit een man, die in beweging komt zodra hij ons ziet. De man kruipt naar het hek, op zijn knieën, hij houdt een metalen bak omhoog. Een smalle mens, een vreemde grijns rond zijn lippen. Ik hoor hoe hij met hese stem, zonder geluid bijna, please… please… fluistert.

Ik aarzel, kijk niet begrijpend naar L. Die gebaart door te lopen. Wie is die man? Een patiënt, tuberculose, hij zit in quarantaine. Hij heeft geen familie voegt L. er met een vermoeide blik aan toe. Geen familie? Nee, niemand die voor hem zorgt. Maar hij is toch ziek? Ja, die ziekte, daar komt hij wel over heen, maar hij verhongert langzaam... hij gaat dood van de honger.

Ik ben stil.

De volgende ochtend vroeg loop ik naar de ingang van het hospitaal. Ik koop bij de vrouwen een grote hoeveelheid fufu en een paar bananen. Met mijn voedselvoorraad ga ik naar het quarantaine gebouw. Bij het gebouw zijn twee schoonmakers aan het werk. Ze dragen grote witte rubberlaarzen. Het hek staat open, ik loop niet naar binnen. Ik trek de aandacht van de schoonmakers, for your patient roep ik en ik hou het pakket eten omhoog.

Een van de mannen komt naar me toe. I’m sorry sir, our patient died last night, zegt hij met zachte stem.


Reacties: Een reactie posten

Aanmelden bij Reacties posten [Atom]





<< Homepage

This page is powered by Blogger. Isn't yours?

Aanmelden bij Reacties [Atom]